Bellius Advocaten | Wet civielrechtelijk bestuursverbod en Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude | Bellius Advocaten
14011
post-template-default,single,single-post,postid-14011,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,boxed,wpb-js-composer js-comp-ver-5.0.1,vc_responsive

Wet civielrechtelijk bestuursverbod en Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude

Wet civielrechtelijk bestuursverbod en Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude

14:03 21 juni
Print Friendly

De Wet civielrechtelijk bestuursverbod en Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude zal op 1 juli 2016 in werking treden. Het doel van deze wet is om faillissementsfraude en onregelmatigheden in of rondom een faillissement beter te kunnen bestrijden, alsmede te voorkomen dat frauduleuze bestuurders (waarmee ook wordt bedoeld  ‘schaduwbestuurder’ of feitelijk beleidsbepaler) hun activiteiten via omwegen en met nieuwe rechtspersonen kunnen voortzetten. Het Openbaar Ministerie en de curator van een failliete rechtspersoon kunnen de rechter verzoeken om een verbod, wanneer (kort samengevat):

a.            de bestuurder aansprakelijk is op grond van onbehoorlijk bestuur;
b.            er sprake is van paulianeus handelen, dus in het geval de bestuurder de schuldeisers aanmerkelijk heeft benadeeld;
c.            de bestuurder in ernstige mate is tekortgeschoten in de nakoming van de informatie- of medewerkingsverplichtingen jegens de curator;
d.            de bestuurder ten minste tweemaal eerder betrokken is geweest bij een faillissement van een rechtspersoon en hem daarvan een persoonlijk verwijt treft (faillissementsrecidive); of
e.            aan de bestuurder (of de betreffende rechtspersoon) een boete is opgelegd wegens het schenden van een belastingplicht zoals voorzien in de artikelen 67d, 67e of 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De rechter kan een verbod opleggen voor een periode van maximaal 5 jaar. Er kan geen bestuursverbod worden uitgesproken indien de bestuurder bewijst dat het handelen niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.